Meningen over Verwaaid

Betekenis geven aan het betekenisloze
Verwaaid, de derde bundel van Rose Vandewalle is een monument voor de betekenis van de individuele mens, voordat de waargenomen aftakeling die waarde van onze dierbaren neerhaalt. De bundel is gevat in een taal die bij voorbaat tekortschiet om het onzegbare te verwoorden. Ook uit eerdere bundels van Vandewalle is die drang herkenbaar. Woorden vinden voor fenomenen die geen taal kennen. De aftakeling van de mens kent vele talen waarin ze beschreven is. Het rationele medische jargon, de objectieve beschrijvende wijze waarop bijvoorbeeld een Bernlef tewerk gaat. De koele registraties van de ‘professionals’ die dagelijks verkeren met de personages die in deze bundel worden opgevoerd. En dan nog is er de dichter die de hopeloze taak aanvangt om woorden te vinden voor deze universele teloorgang van individuele waarde. Uit stof zijt gij gekomen en tot stof zult gij wederkeren. En ik meen dat Vandewalle erin is geslaagd om een nieuwe taal te scheppen waarin het onzegbare recht wordt gedaan. De dichter schept een web van woorden waarin de ontluistering van die individuele mens voor de lezer, voor de niet-dichter, kenbaar wordt. De dichter ziet de neergang aan, in het besef dat er tegen het naderend verval, het naderend einde, geen kruid gewassen is. Tegen beter weten in wil ze zich daar niet bij neerleggen. Wanhopig zoekt ze naar sporen die nog getuigen van wat ooit was. En let wel, de dichter beperkt zich niet tot de desintegratie van het broze lijf. Nee, het is juist het uiteenvallen van de geest, van het brein als drager van al die individuele herinneringen. Ooit vermocht die geest al die herinneringen, ervaringen door tijd en herkenning tot een coherent beeld samen te voegen. Maar verwoesters als Alzheimer trekken dat beeld uiteen tot incoherente rafels, tot flarden ontmenselijking die mensen maakt tot schimmen van de individuen die ze ooit waren (bijna niets lijkt nu mateloos veel / wist niet dat het leven / zo onvervalst en zo simpel / met zo weinig toch / telkens weer sprankels). Wil de dichter hier nog iets hoopvols ontdekken in de wanhopige wanorde? De personages die door Vandewalle opgevoerd worden zijn dolenden tussen de flarden van hun verleden (op zoek naar wat / hij onderweg is verloren / tast hij met zijn vinger / of het kamernummer hem past). Maar meer nog dan de personages legt de dichter zichzelf op de snijtafel. Met haar eigen herinneringen vult ze de leegte van degenen die ze aanschouwt. De dichter weet dat haar pogingen ijdel zijn, maar de aanblik van ‘haar’ dolenden is onverdraaglijk. Ieder instrument om het simpele leven dat nog rest, te leiden, is hen ontvallen. En de dichter poogt om dat gemis te compenseren (opdat ie eindelijk zien zou / hoe vroeg het reeds donkert). De dichter verzet zich tegen het verlies van waardigheid.
Is op zoek naar de schaarse tekenen van waarde die nog ergens in die vormeloze resten verborgen moeten zitten. De dichter creëert verbanden die er al lang niet meer zijn. Het gewoon niet waar willen hebben, wat waar is. De losse eindjes die ze wel vindt, verbindt ze met haar eigen herinneringen, haar eigen voorstellingen. Ze denkt voor hen die enkel nog zonder syntaxis denken (niet denken dus). Niets komt er meer bij, en alles kalft af. Als een oude muur, waar het cement geen binding meer heeft en de muur uiteindelijk geen muur meer is, maar uit het verband gerukte steen. De dichter poogt nieuw cement aan te brengen. Ze is niet enkel de observator, ze participeert in de wereld van hen die dolend zijn. Ze weeft de flarden tot lappendekens die even onbruikbaar zijn, maar die de aanblik minder gruwelijk doet zijn. De aanblik van mensen met verspilde dagen, die leven in geleende tijd. Dood zijn maar nog niet overleden (kennelijk heeft hij iets voorgehad / staat in streepjespyama / verwaaid voor zich uit te staren). In pogingen tot contact in een betekenisloze taal, wil de dichter zich niet neerleggen bij het onvermijdelijke (altijd aan de voet van de steile trap / zal ik aarzelen / of ik hem tegemoet zal treden / of eerder op hem zal wachten). Met dergelijke strofes schetst de dichter haar perspectief op deze wereld van dolenden, als een toerist op vreemd gebied met enkel een blinde kaart als gids. Ze wil het landschap leren kennen, maar ook de dichter wordt een dolende onder de dolenden. Deze wereld is niet kenbaar. En ze betaalt een hoge prijs voor haar participatie (op de maat van de Bolero die kaatst door de kamer / stap ik naar binnen, nodig Helena ten dans (…..) alles is ze kwijt, Helena). Maar het is een welbewuste keuze. Thematisch sluit Verwaaid naadloos aan bij de eerdere bundels van Vandewalles, helaas zo beperkte, oeuvre (slechts drie bundels in 25 jaar tijd) . Je zou zelfs van een drieluik kunnen spreken. Maar in niets verraadt Verwaaid dat het een sluitstuk is. De dichter lijkt uit haar deernis met de neergang ook een fascinatie te puren. Een fascinatie voor dat wat werkelijk betekenis heeft. De wens om betekenis te geven aan het betekenisloze. Zin geven aan de ‘weg van alle vlees’. Hoewel je er als lezer niet aan ontkomt, om zeer persoonlijke betrokkenheid bij het thema te vermoeden, is de dichter evenwel in staat om het persoonlijke te verheffen tot universele waarde, waarin de lezer zijn eigen geschiedenis moeiteloos herkent. Vandewalle creëert haar eigen gedenksteen, indachtig het idee dat mensen pas werkelijk gestorven zijn als er geen herinneringen meer aan hen zijn. Gezien de zeggingskracht van de-ze gedichten zal Helena niet gauw sterven. De dichter verleent haar een status van onsterfelijkheid. Ze leeft voort in het gedicht. En dat vind ik een literaire prestatie van formaat. Vandewalle is een dichter die mijns inziens een groter publiek verdient dan de kleine schare bewonderaars die nu haar werk kennen.

Bert Jans


Gedichten die verwaaien als een warme passaatwind
In haar derde bundel Verwaaid legt Rose Vandewalle alle accenten op het verstrijken van de tijd, het voorbijgaan der dingen, het verdwijnen van de zorgeloosheid, nu de jaren met het ouder worden echt gaan tellen. Dat klinkt nogal droevig, zeker voor wie zich daarin herkent, maar de gedichten beklemmen je nergens. In tegendeel. Vandewalle presteert het om flink afstand te nemen van dit niet te keren feit door hier en daar een vrolijke noot op te werpen waardoor alles lichter en draaglijker wordt dan het eigenlijk is. De bundel is in drie afdelingen verdeeld. De eerste twee hebben vooral betrekking op de ouder(s), een geliefd familielid, het moeizame en tragische vanwege de aftakeling, fysieke problemen die gepaard gaan met de ouderdom (geestelijke achteruitgang, blindheid). In de derde afdeling voert ze je mee naar haar eigen ervaringen en observaties. In Parijs bijvoorbeeld kruipt ze in de huid van een eenzame vrouw (die wekenlang dood in haar appartement gelegen heeft). Ook hierin wordt het proces van de aftakeling voortgezet en op een heel subtiele en betrokken wijze beschreven, waarin de zelfkant van het leven ligt weerspiegeld. Door de fijnbesnaarde toon, de lichtheid van haar woorden, de transparantie van de gekozen beelden komen de woorden nooit over als zwaarmoedig. Met andere woorden: Vandewalle is er uitstekend in geslaagd om het bestaan, hoe gerafeld, misvormd en miskend ook, een draaglijke signatuur te geven. Ondanks dit gegeven blijven haar gedichten pijn doen, ergens schrijnen, weliswaar vooral tussen regels en in het wit van het onzichtbare dat niet zo makkelijk met het blote oog valt vast te stellen.
In dit spanningsveld en schemergebied vind ik haar gedichten het best tot hun recht komen. De woorden bewegen tussen eb en vloed, licht en duisternis, vorm en vormeloosheid en laten zich niet meteen vangen. De vorm, bijna geheel interpunctieloos, speelt hierin ook een belangrijke rol, evenals de korte versregels, veelvuldig gebruik van enjambement. Er is geen enkel gebruik van hoofdletters en nergens een punt aan het einde van een gedicht. Weinig heeft een vaste plek, er kan nog veel anders zijn en dat is voor een lezer prettig omdat hij zelf ook diezelfde ruimte krijgt om de verbeelding en het verbeelde vrij spel te kunnen geven. Deze vrijheid van interpretatie mag je als een geschenk beschouwen, want niets is vervelender dan iets wat onwrikbaar vast ligt en waar niets meer aan te verschuiven valt. Het maakt dat haar gedichten je dwingen om te herlezen, om opnieuw de woorden te proeven, om te kijken of een tekst anders wordt afhankelijk van het moment waarop je leest. En dat zou goed mogelijk kunnen zijn in de gedichten van Rose Vandewalle door de grote mate waarin zij niet alles geheel wil invullen, een vaste plek wenst te geven, ook al is ze vrij concreet in taalgebruik. Het waait immers. En waar het waait gaan dingen schuiven en waaien ze soms weg, uit het zicht. En verder: niets blijft hetzelfde, alles is verwaaid, in the end. Het is een oefening in onthechting, los laten, durven loslaten. De dichteres is zich ervan bewust dat dat een weg is die we allen vroeg of laat moeten gaan zoals ze besluit in de laatste regels van het laatste vers in deze bundel: voor het laatst zal ik me oprichten //..//.. // klanken uit een donkerend en veel later bed / ik zal spreken met mijn ogen, met mijn handen. Ze weet dat woorden niet alles tot uitdrukking kunnen brengen en veel ongezegd blijft. We hopen dat dat nog lang zal uitblijven. Intussen tuimelen we terug in de tijd, zien onze moeder weer voor ons, worden we weer kind: in dit heilig halfduister duikt ze plots op, die gekke hoed van toen op haar kop/en ik aan haar hand het meisje met vlechten.
Intussen blijven onze herinneringen voortbestaan: altijd zal hij me uitwuiven wankel en / wapperend in zijn te wijd geworden kleren / het gevoel dat ik hem achterlaat / op een verlaten en winderig eiland.

Hannie Rouweler

Een geheel eigen stijl
Eergisteren kreeg ik met de post een zachte envelop met daarin een nog zachtere inhoud: het nieuwe lila dichtbundeltje (uitgegeven in de reeks De Oostakkerse Cahiers bij Ampersand & Tilde) van Rose Vandewalle, een Antwerpse dichteres die zeker haar sporen heeft verdiend in de Antwerpse poëziescène. Rose Vandewalle schrijft poëzie met een fluïdum. Wars van alle modetrends en in een heel eigen stijl registreert zij ervaringen omtrent een indringend, ‘levensecht’ en humaan onderwerp. Zij noteert op tedere, respectvolle wijze een reeks observaties over oude mensen. Zij schrijft niet alleen over hun stollende lichamelijkheid, maar durft ook de geestelijke aftakeling in een delicate poëtische vorm te verwoorden. De titel van de bundel, bekende zij mij zelf, het woord verwaaid, is eigenlijk West-Vlaams: Verwaaid - ja, ik ben van West-Vlaamse afkomst en daar is het een begrip: beetje gek, beetje afwezig, met de wind die door het hoofd waait'. Het bundeltje oogt sober en verzorgd. De gedichten zijn ingedeeld in drie cycli waarvan de titels, zoals het hoort, de inhoud voorspellen: tuimel in de tijd, als een braillelezer en alles dwarrelt in de herfst. Rose Vandewalle schrijft toegankelijke, vloeiende gedichten in spreektaal en gebruikt geen hoofdletters, ook bijna geen punten of komma’s. De interpunctie is beperkt tot een paar gedachtenstreepjes in het gedicht als een koffiekan en enkele komma’s en vraagtekens in de vijf laatste gedichten van de derde cyclus: het regende, Paris, le désert, op de maat van de Bolero, er werd hen nooit iets gevraagd en voor het laatst. Deze volgehouden karigheid is eervol en mooi en bewijst het vakmanschap van de dichteres. Heel nauwkeurig en consequent heeft zij haar verzen bijgeschaafd en afgerond tot deze pareltjes van eenvoud. Haar verzen lezen gemakkelijk, maar blijven ook even gemakkelijk hangen in de geest van de lezer. De situaties die Rose Vandewalle in haar gedichten aanreikt zijn zeer herkenbaar en haar conclusie is een voltreffer: tja, wij leven jarenlang in eigenwaan en eigengereidheid, maar eens komt het moment dat wij zullen beoordeeld worden, niet meer op basis van ons kunnen, maar ‘op basis van onze verstrooidheid’.
Rose Vandewalle laat haar personages, de broze oudjes, in haar gedichten spelen als in een film. Wij zien haar eens zo sterke moeder met weelderig lichaam, een en al boezem en dij evolueren tot het ‘verwaaide’ dametje dat in het tehuis rondzeult met een sacoche en soms een dwaze hoed opzet. Heel geraffineerd en tactvol omschrijft Rose Vandewalle de geestelijke aftakeling, waarbij het geluk herleid wordt tot af en toe een sprankel:

haar gezicht beneveld
als van een maan
…
een oase
eindelijk tot rust
…
bijna niets lijkt nu mateloos veel
wist niet dat het leven
zo onvervalst en zo simpel
met zo weinig toch
telkens weer sprankels

Zelf is de dichteres ook aangegrepen door het fysisch en psychisch lijden van haar geliefden. Haar vermogen tot empathie staat de koele zakelijkheid in de weg. Het dagelijkse leven wordt even stopgezet om plaats te maken voor de angst:

al strijkende plots dat benauwende au
alsof haar lichaam zich strekt
verstijft onder mijn handen
haar nachtkleed verandert in lijkwade
in mijn keel een schreeuw die niet wegkan
hoe lijfelijk de dood reeds aanwezig
nog voor dat hij opduikt

In de tweede cyclus gedichten speelt een mysterieuze oude man (de vader van de auteur, haar oom, een vriend?) een hoofdrol. Als de kamerfiets naar boven wordt gehaald is deze een mogelijke ontsnappingsroute. Hij gebruikt een vaas als koffiekan, spreekt plots Duits en praat tegen plaasteren muizen. Een behoorlijk ‘verwaaide’ oude man dus. De dichteres voert dit personage subtiel ten tonele en ziet de dingen zoals alleen zij ze zien kan:

al van ver kan ik hem raden
kaarsrecht in zijn rolstoel
is hij een schreeuw tegen het groen van de zomer.
en (over de plaasteren muizen):
gebroeders, stelt hij ze voor
en wat vooral van belang is
’s morgens zijn ze nooit verdwenen
geruststellend wel
terwijl alles in dit huis
voortdurend blijft verdwijnen.

In de derde cyclus (elke cyclus telt netjes zeven gedichten) staan, vind ik, enkele van de meest indringende verzen. Het zijn eigenlijk allemaal lievelingsgedichten van me, omdat het contrast tussen het leven en de dood hier het sterkst wordt verwoord en Rose Vandewalle de conclusies neerschrijft waar wij niet anders dan stil kunnen van worden:

bewust was ik van niets
niet hoe al walsend
de jaren zich wentelden
uit: wijn en wals voerden me mee
zij viel met doffe plof
(niemand om haar op te rapen)
uit: Paris, le désert.
alles is ze vergeten, Helena
behalve het huilen dat haar onverhoeds overvalt
uit: op de maat van de Bolero
allen die hier verblijven
werden vergaard niet op grond van gelijkheid
maar op basis van hun verstrooidheid
uit: er werd hen nooit iets gevraagd

In deze laatste reeks gedichten spelen muziek en dans een belangrijke rol. De werveling van de wals, het zingen van een psalm, de maat van de Bolero en ook klanken uit een donkerend en veel later bed begeleiden de ‘deadline’ van de geliefde oudjes. In deze verzen weet Rose Vandewalle zo duidelijk de tragiek van het ouder worden te verwoorden, dat het is alsof wij zelf de doodswals dansen, alsof wij zelf reeds de doodsreutel repeteren, alsof wij plotseling beseffen dat alles in deze wereld alleen maar ijdelheid is, niets dan ijdelheid…. Eén gedicht wil ik nog speciaal vermelden: Paris, le désert. Rose Vandewalle beschrijft hier de dood van een oude dame ergens op een kamertje in Parijs, tijdens de bewuste hittegolf in de zomer van 2003. Dit gedicht is een prachtig document, dat zelfs politici zouden moeten lezen, om te beseffen dat wij in onze eigengereidheid nooit moeten vergeten te zorgen voor ouderen, die in tijden van nood vooral in waardigheid moeten kunnen worden opgevangen. Rose Vandewalle schrijft daarenboven wat ik noem nog echte verzen, in een nostalgische parlando die me soms bevreemdend een aantal decennia in de tijd terugvoert. Tegelijk zijn haar gedichten hier en daar opgesmukt met een eigentijds detail. Sommige verzen eindigen bijvoorbeeld met een onafgewerkte ‘zin’, een abrupt afgebroken syntaxis, zodat de lezer zelf vrij kan invullen:

ik die niet wist van de tijd
die al walsend
niet zag hoe de tijd
en:
dromen hun stapeldromen
van hoe ze telkens weer
en nog steeds
en:
…
geen vreugde maar ook geen verdriet
hoe de dood alomtegenwoordig

Deze werkwijze vind ik zeker niet traditioneel en ondersteunt hier perfect de inhoud van de gedichten – ‘verwaaide’, zieke oude mensen praten en denken ook in ‘ontregelde’ syntaxis, niet? Samenvattend: de bundel Verwaaid behoort naar de vorm niet echt tot de poëtische avant-garde (dat is zeker niet de bedoeling van de dichteres geweest, denk ik), maar ik vind Rose Vandewalle als auteur heel authentiek, wellicht een beetje - ik weet niet waarom dit woord plotseling opduikt - ‘vintage’. Maar dan vintage met bloemen, zou ik zeggen.

Nawoord
Beste Rose, alhoewel ik me de laatste jaren heel sterk heb gedistantieerd van wat ik noem ‘dodelijke’ en ‘tragische’ poëzie en vooral van dichters die het leed van deze wereld gebruiken om zichzelf te promoten (terwijl zij, alles wel beschouwd, alleen maar verontschuldigingen zoeken voor hun eigen lafheid en tekortkomingen), wil ik hier jouw bundeltje beschrijven als een kostbaar kleinood, een pareltje van indringende poëzie waarin de beleving van het leed van anderen waarachtig is en beklijvend. Soms denk ik (of liever: hoop ik) dat het verwoorden en beschrijven van pijn en angst, blijkbaar hoofdthema’s in eigentijdse kunst, als enig doel heeft de gevoeligheid van de andere aan te scherpen, zodat eindelijk eens afstand kan worden genomen van de ironische onverschilligheid en ‘coolness’ waartoe wij allen worden aangezet. Misschien kan het schrijven en publiceren van het soort gedichten zoals in de bundel ‘Verwaaid’ een heel klein beetje bijdragen tot het bevorderen van de medemenselijkheid, toch nog altijd een van de grondslagen van het humanisme. Onze gehechtheid aan de andere, die niet de vijand is zoals men ons wil voorhouden, is misschien onze enige reddingsboei in deze duistere tijden. Bravo, Rose!

Nicole Van Overstraeten


Ook naar zichzelf op zoek
Rose Vandewalle (° Ieper, 1942) publiceerde in 1986 de bundel In haar zak een doek van staal en in 1992 Laat de klok met rust. Dan werd het, althans wat de poëzie betreft, een tijd stil om haar. In de eigenzinnige reeks De Oostakkerse Cahiers (Uitgeverij Ampersand & Tilde) verscheen nu de dichtbundel Verwaaid (vierentwintig verzen). De bundel omvat drie cycli, elk van acht gedichten. Rose Vandewalle opent haar dichtbundel met een motto van Maria Vasalis:

Ik ben verdwaald in een seizoenenloos gezicht,
verdronken in een bodemloze stem,
verwaaid in een gedachte

(uit: Vergezichten en gezichten)

Verwaaid, verdwaald, verdronken… deze dichtbundel staat vol met werkwoorden die beweging oproepen. Dit is des te opvallender daar het thema van Verwaaid het ouder worden is, het verleden, sterven, afscheid nemen. Men zou kalmte verwachten. Neen, dus. Hier is een storm opgestoken. ‘Do not go gentle into that good night’ schreef Dylan Thomas (1914-1953). Deze poëzie, naar houvast zoekend, is de neerslag van die menselijke worsteling.

Eerste cyclus. Ik tuimel terug in de tijd. De moeder. Bij Rose Vandewalle géén zacht terugblikken op de moeder en de kindertijd. Hier is het een plots en schokkend ervaren van de omgekeerde kind-moeder verhouding.

Ik tuimel terug in de tijd
kleuter geborgen
op de schoot van mijn moeder
we ruilen de rollen
ik ben nu zij zij is nu ik
niets is nog nodig

De kindertijd: het ‘beeld’ van een wielerkoers, die vanuit velden vol bloemen / lila en groen geluidloos maar wriemelend langs het scherm het salon kwam binnengegleden. Dit feest van levensdrang en beweging vergelijkt de dichteres met de bezoekdag in het bejaardentehuis waar bezoekers vergeten hun stemmen te dempen / hun voeten te vegen.

Waar de eerbied zoek is, de vreugde. Herinnering is ‘heilig’, uit dit heilig halfduister duikt ze plots op. En het kind ziet zichzelf weer; het meisje met vlechten, aan de hand van een jonge, begeerde, zorgzame moeder. Een moeder als een schip, haar kroost in haar kielzog, sterk en weelderig. Tegen elke storm bestand. Maar reeds zijn er de treurzangen en wringt de priester zich in bochten om de waarheid te verbloemen. Reeds tracht de dichteres zich nog even aan haar glimlach te warmen, verzet te plegen tegen de dood. Dan roept Vandewalle het beeld op van de maan. Het zomerstrand verschuift naar een maanlandschap: haar gezicht beneveld maar ook een oase / eindelijk tot rust. Na de aanvaarding van de omgekeerde moeder-kind verhouding, haar gezicht een zo zachte glooiing. Alles wordt simpel, en het minste is mateloos veel. Met dit eenvoudige kijken en beschrijven bouwt de dichteres gedicht na gedicht op. Zie, zegt ze, kijk maar hoe het is. Als lezer kijk je mee en je voelt hoeveel pijn er schrijnt achter de woorden. Het is niet slechts de moeder die alles met beide handen / vastklemt op haar schoot. De dochter laat de moeder niet los. ‘Rage, rage against the dying of the light’. Ook het gedicht laat de moeder niet los. En er is de hoopgevende kleur ‘groen’, als omzeggens enige kleur in deze dichtbundel. Er is het overvloedige en omsluitende ‘groen’ van het zomerpark, het groen dat verdoezelt en verdeemstert.

nog een keer met haar aan de arm het park in
(…)
nog een keer en dan leid ik haar het licht in
het alomvattende licht

Tweede cyclus. Als een braillelezer. De man. De ‘vaderfiguur’.

op zoek naar wat
hij onderweg is verloren
tast hij met zijn vinger
of het kamernummer hem past

De bejaarde mens, die tastend een weg zoekt doorheen de laatste moeilijke levensjaren. Die een braillelezer is geworden. Scherp beschrijft Rose Vandewalle hoe de bejaarde vader op de kamerfiets [....] voor het raam drie hoog de zomer in fietst. Hij fietst nog ver. Er is nog leven en beweging. Hij heeft nog zicht op straat, op een ontsnappingsroute.

al herinnert hij zich nadien nooit meer
hoe ver en waar naartoe
ook niet wie zijn reisgenoten waren

Maar wel herinnert hij zich de taal uit zijn kinderjaren. Wel ziet hij nog hoe mooi / de zon ondergaat daarbuiten. Stap voor stap, doorheen acht ontroerende gedichten, wordt de vader begeleid. De kleine vreugden, de dagelijkse angsten: het is vijf uur in de namiddag / het uur van de wolf nadert // de stores zijn al neergelaten. De vader reikt de zoon een ver-rekijker aan opdat ie eindelijk zien zou / hoe vroeg het reeds donkert; opdat de zoon zou begrijpen hoe nabij de dood is. De tijd is kort geworden. Fünf nach Sieben, zegt hij met aandrang / het is zeven na vijf… De dichteres zegt véél met weinig, perfect-juist gekozen woorden. Zelden lezen we een bijvoeglijk naamwoord of een bijwoord (het groen van de zomer). Toch zijn deze verzen geen vage suggesties. Glashelder tekent elk gedicht de situatie, de volgende onvermijdelijke stap naar de dood alomtegenwoordig. De dood, die in deze gedichten niet onverwacht en soms een bevrijding is.

ik weet hoe zijn slaap is gehecht
zijn jukbeen en alles eromheen
paars van het vallen

Derde cyclus. Alles dwarrelt in de herfst. Bevreemd keek ik op. Het ‘ik’.
Verwaaid is de bundel van het wegwaaien, van het dwarrelen van bladeren, het wegvallen van tijd en leven. De verwarring die plots toeslaat. In de derde cyclus spreekt de dichteres over haar verwaaide gedachten, over het licht dat van groen naar oker verkleurt tussen vallende bladeren. De greep wordt gelost. De beweging vertraagt. Het mededogen en het inlevingsvermogen zijn té groot. Het aftakelingsproces van geliefden dreigt verlammend te werken. Eens was er de roes van het leven. Eens was er de eindeloze dans, wijn en wals voerden me mee. Er was de wenteling van de jaren, nauwelijks bewust beleefd; ik die niet wist van de tijd. Nu is er afscheid genomen, afstand ontstaan. Het bewustzijn maakt de verhoudingen moeilijk; zal zij hem tegemoet treden… zal zij beneden op hem wachten… Altijd zullen zijn tranen haar ontroeren, zal hij bij haar kunnen uithuilen ook al vergist hij zich hierbij van schouder. Altijd zal zij hem uitwuiven en achterlaten. Met dit gedicht Altijd aan de voet van de steile trap, dat schrijnt en aangrijpt, schrijft Rose Vandewalle, ook in de derde cyclus, beklijvende poëzie over de pijn van het leven en van het liefhebben, over aarzelingen en remmingen, over levensangst.

altijd zal hij me uitwuiven wankel en
wapperend in zijn te wijd geworden kleren
het gevoel dat ik hem achterlaat
op een verlaten en winderig eiland

Schokkend is de confrontatie met de onverschilligheid en het egocentrisme van bejaarden. Ook hun plotse vrolijkheid heeft iets kinderlijks. Maar het opnieuw blij (zijn) als een kind, het zingen met hoge tremolo is niet vertederend. Het past niet bij het einde van het leven. Zeker niet als zijn eens zo dierbare in het hospitaal ligt haar smalle leven uit te bloeden. Schokkend ook de onverschilligheid van de grootstad, waar bejaarden aan hun lot worden overgelaten, in Paris, le désert…, waar in de zomerhitte achterblijft in gespreide orde een leger ouderlingen. Sterven in eenzaamheid zoals elke soldaat van een verslagen leger. De dichteres, die de jeugd een dans noemt, danst met de demente vrouw op de maat van de Bolero een dodendans: zie hoe haar ogen opvlammen, hoe het dansen de herinnering aan het jong-zijn wekt. De dichteres wéét het: er werd hen nooit iets gevraagd. Zij wéét dat dit voor allen geldt. Ook voor haarzelf.

allen die hier verblijven
werden vergaard niet op grond van gelijkheid
maar op basis van hun verstrooidheid
het was niet wat ze wilden

Hier klinkt duidelijk door: het verlangen naar een ander, beter leven. Het verlangen naar een vrije en bewuste keuze. Het verlangen naar respect en begrip. Deze twee slotgedichten staan enigszins los van de andere verzen: de lezer voelt dat het hier de dichteres zélf is die zich afzet tegen het willoos ondergààn van het leven.

voor het laatst zal ik me oprichten
alle leed, pijn, verbolgenheid meesleurend
in een geweldig aanzwellende vloed

Dit is het voornemen waarmee de dichteres het leven tegemoet loopt. Dit is de creatieve golfbeweging waarmee zij zich redt uit de vernietigende zee van haar gevaarlijke inlevingsvermogen.

Aleidis Dierick


Meningen over Abrikozen voor Ali

Poëtisch engagement in overtreffende trap
Roger Nupie schrijft geëngageerde poëzie. Dit is duidelijk. Ali, voor wie de dichter abrikozen aanbrengt, was twaalf jaar toen een raket zijn huis vernielde. Zijn zwangere moeder lag, samen met zijn broertje en zijn vader, dood onder het puin. Ali was verbrand in de derde graad. ‘Morgen zullen er abrikozen zijn’ is een Irakees gezegde en betekent zoveel als: morgen zal alles beter zijn. De dichter schreeuwt om aandacht voor het lot van de jongen. Natuurlijk is Ali symbool voor alle ellende in de wereld, voor hen die (nog) leven of (reeds) stierven in gebieden geteisterd door oorlog of natuurrampen. Nupie getuigt van het genadeloze spel tussen machtswellustelingen (lees: economische belangen) en brengt verslag uit in naam van hen die monddood zijn verklaard. De bundel is één langgerekte schreeuw om aandacht van hen die het niet (moeten) meemaken, die de ogen sluiten voor andermans ellende, zo ver van hun bed, die menselijke drama’s en natuurrampen ervaren als faits divers. In haar engagement, drijvend op de krachtige overtuiging van de dichter, wordt poëzie hier ontdaan van haar luister en mythisch karakter. Nupie schrijft direct en hierdoor verliest het woord soms nestwarmte, maar wint aan accaparerend vermogen. De poëzie wordt hier rauw opgediend, ongepolijst, soms in korte berichtentaal. Hiermee wil ik niet gezegd hebben dat Abrikozen voor Ali geen poëzie is - dit zou mijn visie over poëzie wel fanatiek vernauwen -, toch is de bundel veeleer een noodkreet, de schreeuw van een getuige die geen oog meer heeft voor mooie woorden, metaforen, poésie pure. Nupie wil aandacht, is zwaar ontgoocheld, verontwaardigd en begeeft zich tot aan de rand van zijn gevoelens.

Dit is
geen leven.
Dit is
nauwelijks
een hond.

Deed de mens Nupie er goed aan in zijn missie te kiezen voor de dichter Nupie? Zeker. Zijn verbaal vermogen, zijn vlotte communicatie, zijn talent om ontfloerst de dingen te zeggen zoals ze zijn, zijn scherpe pen, zijn ongetwijfeld sterke troeven die hij handig uitspeelt in zijn poëzie. De gedichten in Abrikozen voor Ali zijn meestal korte ademstoten, snikken, korte boodschappen. Aandacht, aandacht: / geen vreugde binnensmonds! is zijn eerste ontlading, het motief, de door alles heen spelende idee van zijn bundel. In dit allesoverheersend gevoel van ontgoocheling, boosheid, ergernis houdt de dichter zich emotioneel en mentaal overeind door cynisme, koude verslaggeving, valse afstandelijkheid. Hier ligt dan ook de verklaring voor zijn onderkoelde poëzie en zijn heetgebakerd gemoed. Voortdurend probeert Nupie deze twee opponenten met elkaar te verzoenen. In dit wankel evenwicht slaagt hij er meestal in de poëzie levenskansen te geven in een wereld van gruwel en afschuw. Nupie hanteert een dynamische taal, als een voorthollende stroom van woorden en berichtjes, mededelingen. Onder deze koele flinterdunne bovenlaag stroomt echter het lava van de ergernis.

Amputeer zijn tweede been,
het eerste heeft hij nooit gemist.
Wat er aan romp rest,
Gooi het weg.

De dichter ergert zich aan de laksheid van zijn medemens, maar ook aan de goedheid van God, zoals dit wel vaker gebeurt als het noodlot toeslaat en wij de onrechtvaardigheid van het lot niet kunnen aanvaarden.

En dan de kaakslag:
wat dacht u wel dat u?
Waarom heeft u zich te buiten
en waaraan en in Gods naam!
*
En, generaal,
wat bent u van zin?

De dichter bezorgt je koude rillingen als hij schrijft: Geen hoofdpijn / maar ook // Geen / hersenpan’ of Geen verlangen / maar ook // Geen/lichaam of Iemand wou / hem omhelzen. // Maar: geen hoofd / en geen schouders. En toch ‘keren manschappen terug’, getekend, stuurloos, argwanend, en vragen zich koppig af: Het was toch onze oorlog? / Wat moeten we aan het thuisfront?. De oorlog in Irak grijpt de dichter aan om wereldwijd de ellende aan te klagen waarin zoveel mensen verkeren en verkommeren. Hij doet dit op een pakkende wijze, niet alleen zijn woordkeuze (of moet ik schrijven: zijn keuze van woordenloosheid, zijn woordzuinigheid, zijn witte woorden?), maar ook het ritme, de dynamiek, de stroomversnelling waarin hij woorden opjaagt tegen de stroom in, ontroeren mij. Hier is een echte dichter aan het woord, hier lees ik, jawel, echte poëzie, echte gevoelens. Nupie wil de lezer ook de ogen openen voor het machtsspel tussen (economische) groeipolen, voor de machtswellust van godsdienstleiders die mensen manipuleren en terroriseren, voor die dolle bende toch, / deze heren op rijpere leeftijd. // Rondedansjes, soldatenliederen, / Old Shatterhand, Winnetou. Abrikozen voor Ali is een mooie bundel aangrijpende poëzie, één adrenalinestoot, een schoolvoorbeeld van geëngageerde poëzie, uitgepuurd, gefocust, één naar vorm en inhoud.

Thierry Deleu

In Sardonia met Roger Nupie, of hoe zwart humor kan zijn
De voorspelling “Zo verander je van taal” in het openingsgedicht van Roger Nupies vorige dichtbundel Zo verander je van lichaam is uitgekomen. Het lichtvoetige sarcasme dat zijn vroegere poëzie typeerde, is mettertijd van kleur veranderd. Indien het lyrische element wel eens tussen de regels opdook, meestal gevolgd door een al minder verheven ‘understatement’ dat de dingen wel bij de naam bleef noemen, dan is er nu geen sprake meer van een of andere sublimerende tendens. De waakzaamheid is troef – iets wat hij wellicht bij Jan Arends heeft ontdekt – en juist deze levenshouding stelt hem als dichter in staat om de schijnvertoning die hij gadeslaat onder woorden te brengen. Het titelgedicht geeft ons al meteen een bittere voorsmaak van wat er ons als lezer nog te wachten staat. In tegenstelling met de cyclus van 39 meestal zeer korte gedichten is de toon echter zuiver informatief: dit overkwam de twaalfjarige Ali in Irak. En dan komt het:

Aandacht, aandacht:
geen vreugde binnensmonds.

We zijn niet meer in Irak. We bevinden ons gewoon op deze wereld – in Sardonia. We spelen onze rol in het theater van de oorlog. En als we uit deze nachtmerrie ontwaken, dan is het dankzij een blinde woede. Want wat stellen de rekwisieten voor? Dit, bijvoorbeeld:

Gooi de witte tanden
weg.
Gouden tanden
in de doos.
Ringen van de vinger,
oorringen eveneens.
Indien te weinig tijd
mét vingers, mét oren.
Kunstarmen en –benen
bij de krukken.
Kijk: rolwagentjes
aan de horizon.

Af en toe daagt er wel eens een stukje natuur op: als een aanfluiting, goed voor nog meer leedvermaak.

Wat zijn
knotwilgen?
Geboomte dat
het landschap beknot!
Wij weten wel beter
en sturen hen wandelen.

Nee, deze teksten kunnen niet gebruikt of misbruikt worden in een protestsong. Zo drastisch kan men niet zingen. Zo weinig illusies overhouden en toch nog stelling nemen, dat kan alleen een dichter met de nodige sardonische humor... Als een ‘achterhaalde avonturier’? Zo eindigt deze bundel, maar dan wel op het scherp van de snede.

Lucienne Stassaert

Over Abrikozen voor Ali
Roger Nupie is een van die dichters die hun werk in alle stilte voortzetten, een stap opzij zetten om anderen een plezier te doen en daadwerkelijk geëngageerd leven om deze wereld en toestanden te verbeteren. Een helpende hand, een vriendelijke glimlach en een onuitputtelijk geduld kenmerken deze man uit Keerbergen. Naast het schrijven organiseert hij geregeld tentoonstellingen, is hij voorzitter van de Nina Simone Appreciation Society en is hij recensent voor diverse bladen. Hij vertaalde Afrikaanse en Afro-Amerikaanse poëzie en werkt heel vaak samen met andere kunstenaars. Onlangs vielen zijn Abrikozen voor Ali in mijn brievenbus en nieuwsgierig ging ik op onderzoek. De bundel bevat 29 gedichten die qua vorm geen vast patroon hebben. Als inleiding gebruikt Nupie een gedicht waarin het decor van de bundel gesitueerd wordt. De oorlog waarin landen als Amerika en Engeland zijn vernesteld, vormt de achtergrond voor wat komen zal. Ali is een oorlogsslachtoffer en wees wiens jeugdige dromen door voltreffers worden kapotgeschoten:

[…]
Zo vecht hij tegen de pijn,
noemt de ziekenzuster
hannan, moeder.
Ik mis mijn broertje,
we speelden voetbal,
we gingen samen vissen.
Krijg ik nieuwe armen?
Ik wil dokter worden!

De inhoudstafel vermeldt alle gedichten in alfabetische volgorde, mooie vondst en zeker niet storend. De titels zijn kort, zoals de meeste gedichten. Geen overdadig woordgebruik bij Nupie. Klare analyse en verrassend woordgebruik kenmerken zijn stijl. Alles is fijn uitgebalanceerd en wat ‘kleine’ ‘oppervlakkige’ gedichten lijken, verbergen een rijkdom die na de eerste en verdere lezingen sterker tot uiting komt. Deze bundel nodigt uit tot lezen en herlezen. Er is veel wat de dichter niet zegt, maar een intrigerende spanning schuilt in zijn tekst, je weet nooit wat komen zal en de waardevolle boodschap sijpelt door als een trage migraine tot het onweerstaanbaar tot volle kracht komt en je in haar macht krijgt. Deze geëngageerde poëzie zal de tand des tijds doorstaan. Dit is gave poëzie. De gedichten en de thematiek zijn universeel en breken los van de kleinburgerlijke bellettrie die vandaag nogal vaak mijn keel uithangt. Roger Nupie ‘verveelt’ ons niet met zijn eigen struggle for life, neen hij toont de lezer dat wij in dit vette deel van de aardbol geen energie mogen steken in zelfbeklag, maar verder moeten kijken dan de leugens die de media-nieuwsmachine ons dagelijks door de strot duwt. Deze dichter kiest! Hij steekt zijn nek uit! Bravo. Nupie neemt het op volor de kleine man die ginder ver letterlijk in het zand bijt, terwijl wij de oorlog op ons tv-scherm ‘live’ meemaken. Dus lezer:

Aandacht, aandacht
geen vreugde binnensmonds!

In de bundel veroordeelt de dichter de oorlog en de barbarij die daarmee gepaard gaat:

Eerst nam men iets van hem weg:
een pop met één oog.
Daarna ging er iets van hem dood:
een hond met één oor.
Nu snijdt men iets uit hem weg:
vul zelf maar in wat.

Toch heeft de dichter een zeker begrip voor de simpele soldaat die zich ook vragen stelt over de situatie waarin hij is terechtgekomen:

En, generaal,
wat bent u van zin?
Zachter soldaat,
hou het oog gericht.
Het gebeente soepel,
de armslag losjes.
Geen verwondering,
alleen maar toewijding.
Geen geklaag over gekraak
in uw knoken.
Het is de winter, mijn jongen,
de witte vijand!

In de kortere gedichten komt de scherpe en vooral sterke observatie van Roger Nupie tot bloedstollende verzen:

Iemand wou
hem omhelzen.
Maar: geen hoofd
en geen schouders.

De bundel eindigt met een hoopvol gedicht. Een vers dat ons belooft dat aan elke oorlog een einde zal komen, dat er weer Abrikozen voor Ali zullen zijn en dat alles weer beter zal zijn:

Wij,
in aftocht.
Achterhaalde
avonturiers.

In deze bundel neemt Roger Nupie het op voor de kleine man die steeds de grootste verliezer is als grootmachten het nodig achten om oorlogen in gang te zetten en bombardementen te zaaien. Ali uit de bundel is de gewone, simpele Irakees die alles kwijt is, maar hij symboliseert elk oorlogsslachtoffer. Ik vind deze bundel een moedig literair werk.

Frank Decerf

Roger Nupie heeft niet gezwegen
In de hedendaagse poëzie is het bon ton om ingehouden te schrijven over tragedies, rampen, oorlog, in plaats van uit te pakken met exuberante beschrijvingen om de emoties eens goed op te schudden of maar geen detail over te slaan. Het maakt hierbij niet uit of het onheil van persoonlijke aard is of een compleet volk treft. Zoals Marga Minco, met name in Het bittere kruid, liet zien wat een ingehouden toon voor het proza kon betekenen, bewees Armando in de poëzie, maar niet alleen hij natuurlijk, dat slechts een paar woorden, mits zorgvuldig gekozen, in staat waren een complete wereld vol ellende op te roepen. Beide auteurs worden met elkaar verbonden door een fascinatie voor het fenomeen macht, en vooral het ontbreken daarvan, de onmacht, de machteloosheid. Let op het verschil tussen deze twee begrippen. Roger Nupie (º1957, Keerbergen), die zich in Abrikozen voor Ali eveneens op deze thematiek richt, zal het werk van deze schrijvers wel gelezen hebben en wie weet bestudeerd maar weet de indruk te wekken dat hij zelf voor zijn overdracht ook niet anders dan op een uitgebeende zegging uit kon komen. De grote vraag bij zo’n aanpak is natuurlijk: hoe ver kun je als dichter gaan? En, als lezer? Waar staat weliswaar geen woord teveel maar breekt de poëtische spanning door gebrek aan samenhang of context? Bereikt, anders gezegd, Nupie zijn doel? En hoe zou dat doel dan moeten luiden? De titel is afkomstig van de in Irak gebezigde uitdrukking ‘morgen zullen er abrikozen zijn’, wat zoveel betekent als ‘na regen komt zonneschijn’. De associaties die dit gezegde oproept zijn dus hoopvol, wekken verwachting. Al in de tweede regel van het inleidende gedicht van dit dunne bundeltje echter vernielt een raket het huis waarin een twaalfjarige Ali ligt te slapen. In regel 3 wordt zijn zwangere moeder daardoor gedood en in regel 4 ook nog eens zijn vader en broertje. Ali overleeft maar is wegens brandwonden zwaar gewond. Er is sprake van oorlog en vijandelijke partijen als Amerika en Engeland. De inleiding doet z’n werk, de toon is gezet: deze poëzie gaat over de aanval op Irak of moet ons daaraan doen denken! Is deze pakkende eerste tekst nog strofisch gebouwd, bladvullend lang en verhalend van toon, bijna alle volgende pagina’s bevatten korte tot ultrakorte teksten, waarvan geen enkele een titel draagt. Nupie verwijst nergens meer direct naar Irak, zodat de inleiding een metafoor genoemd mag worden voor alle situaties waarin onschuldigen geslachtofferd worden. Welke omstandigheden zijn daarvoor inderdaad meer geschikt dan een oorlogssituatie? En zeker een die ongelijkwaardigheid kent, met één technisch oppermachtige partij. Degene die daaraan mocht twijfelen, drukt Nupie nog snel even met de neus op een citaat van Willem Brakman: Taal noch teken, ook na de oorlog niet. De poging om deze ontlening waarheidsgehalte te geven, bevat al direct een van de vele contradicties van de bundel want Nupie kan niet anders dan met taal en teken aangeven dat er geen taal en teken zullen overblijven. Daar zit meteen ook zijn kracht want wie weinig woorden wil gebruiken is gedwongen om extra stijlmiddelen in te zetten zoals tegenstellingen dus ja, en humor. Beide toepassingen worden door Nupie uitstekend gebruikt, hij laat ze zelfs herhaaldelijk samenvallen. Natuurlijk moet hij daarbij voor de humor uitwijken naar ironie en sarcasme, zoals in het titelloze:

Geen hoofdpijn
maar ook
geen
hersenpan.

Dit is, voor alle duidelijkheid, het hele gedicht. Voor wie niet in staat is het begrip poëzie van een optimaal breed begripskader te voorzien: geef toe dat het op z’n minst een doordenkertje is. Ik zelf, en ik wil niet bekrompen zijn, vind deze vier regeltjes op zich geen poëzie. Maar ik ken er wel een poëtische functie aan toe, in het geheel van de bundel. Ze bepalen mede de toon en de sfeer van Abrikozen voor Ali. Nupie is intelligent genoeg om te beseffen dat hij niet kan volstaan met alleen dit soort regelbeten. Zijn bundel heeft hier en daar een ankerplaats nodig. Daarin voorziet hij met een paar voor zijn doen langere teksten, zoals:

Wat een dolle bende toch,
deze heren op rijpere leeftijd.
Rondedansjes, soldatenliederen,
Old Shatterhand, Winnetou.
Herinneringen als zoete koek,
overslaande stemmen.
Voortreffelijke heren, beetje mank,
maar voorwaar nog monter.
Plots motregen.
Een minuut stilte.

Hierin komen nog twee andere kenmerken aan bod: het gebruik van werkwoordloze zinnen, zodat de lezer aangespoord wordt die aan te vullen (en er als co-auteur vanzelf meer bij betrokken raakt), plus het spel met beelden die op het eerste gezicht niet veel met elkaar te maken hebben en zich soms uitgesproken vrolijk en daarmee onschuldig voordoen. Soms is Nupie, en dan duikt alweer zijn vijfde handelsmerk op, nog dwingender, kapt hij zinnen vroegtijdig af zoals in de tweede helft van:

Amputeer zijn tweede been,
het eerste heeft hij nooit gemist.
Wat er aan romp rest,
gooi het weg.
Vergeet de voetstappen
die hij achter zich!
Bijtijds omdraaien:
een gewaarschuwd man-
Aan flarden even later,
want te laat bespeurd.

Hier is hij er voorbeeldig in geslaagd de onrust en schrik van een bedreigende situatie in taal te vangen. Aan vaardigheden geen gebrek dus, Nupie is een onderlegde dichter! Om nog even op zijn bedoeling terug te komen. Die kan niet anders uitgelegd worden dan als de behoefte een fel protest te laten horen tegen oorlog, tegen de misdaden die onder die noemer plaatsvinden, tegen de rechteloosheid, tegen het kwaad dat ook onlosmakelijk bij onze soort hoort! Zoals Armando al als puber ontdekte, toen hij voor het eerst foto’s van de vernietigingskampen zag, het onderschrift las: ‘Onmenselijke handelingen’, en tot de conclusie kwam dat het gebeurde helemaal niet onmenselijk was maar juist menselijk! Nupies onderwerp en stijl (tenzij hier en daar de wijze waarop hij bovengenoemde kenmerken verbindt) zijn niet origineel, maar dat is oorlog evenmin, al verandert het gezicht ervan steeds, en juist daarom ook moeten er bundels als Abrikozen voor Ali blijven verschijnen, niet in naam van de poëzie maar in naam van alles waar poëzie voor wil staan! Vanuit deze gedachte heeft Roger Nupie zeker zijn doel bereikt: hij is gaan weten, hij heeft zijn stem verheven, hij heeft niet gezwegen! Laat ons een abrikozenboom planten, in de slagschaduw van die andere werkelijkheid waar voor gedichten geen plaats is, al is het dan maar in ons collectieve bewustzijn…

Albert Hagenaars

Meningen over De schuldeloze man

In haar tiende bundel De schuldeloze man laat Aleidis Dierick (Antwerpen 1932) vier schuldeloze mannen de revue passeren: de seminarist, de soldaat, de voortvluchtige en de banneling. Ook neemt zij de lezer respectievelijk mee naar Rome, Berlijn, Antwerpen en Dublin. De vier afdelingen hebben Duitstalige motto's meegekregen, waaronder twee van Rilke, die voor de interpretatie van de bundel richtinggevend zijn. De eerste afdeling bestaat uit vijftien gedichten die elk uit twee strofen bestaan. Kenmerkend voor de poëzie zijn de korte regels. De gedichten zijn opgebouwd uit directe zintuiglijke waarnemingen en het is aan de lezer om deze beelden te koppelen aan zijn eigen beelden van de stad Rome. Soms breekt er in deze verzen iets van bespiegeling of beschouwing door: 'Meestal was er iets als verdriet. Een zwaarte in hem...' De tijdlijn van deze gang door 'een dode stad' is de basis waarop al deze tableaus vivants naast elkaar een plaats krijgen, waardoor iets van een fotodocumentaire ontstaat. En zo volgen wij het laatste studiejaar van een seminarist die naar Rome trekt om zijn promotie af te ronden, een seminarist (uit Brugge?) die heimwee heeft, zijn moeder mist, zich niet door de verlokkingen van de grote stad laat verleiden. Het bericht van de dood van zijn moeder krijgt hij te laat. De promotiecommissie, bestaande uit 'de vaders de theologen met hun vermoeide ogen' stellen hem die ene wezenlijke vraag: 'Werd bij de schepping der wereld / een rol toebedeeld / aan de moeder van God?' Hij vraagt zich af: 'In wiens handen / ligt vandaag zijn lot.' Uiteindelijk keert hij noordwaarts met de trein terug, om 'In de naam van de Vader' zijn levenstaak te gaan vervullen.

Maar de moeder is nooit weg:
Hij slaapt. In een droom
komt zij terug de wolvin
de eeuwige, de moedergodin
en zoogt aan een tepel vol melk
haar hulpeloze jongen.
Haar welp.

In de tweede afdeling van de bundel wacht een moeder - Achmatova heet ze - op haar man, die soldaat in Berlijn is. Nu rijden de treinen niet naar een bestemming, maar ze ontsporen in Moskou. De vernietiging van Berlijn is de hel, de Apocalyps. 'Berlijn was de stad / waaruit niemand ontkwam.' Ook uit de volgende reeks De voortvluchtige (Antwerpen) wordt duidelijk dat Europa, of liever gezegd: de geschiedenis van Europa één groot slagveld is, waar nauwelijks aan te ontkomen is. De reiziger wordt nu opgejaagd, vanaf het vertrekpunt: de stad aan de Schelde. De dichter jaagt de reiziger op: 'Vlucht het verlorene het oosten.' en 'Rijd voort. De steden? Negeer ze.' Wat er overblijft, is Ierland met Dublin, het groene eiland in het uiterste westen. Is groen niet de kleur van de hoop? De vierde afdeling opent aldus:

Hard en hongerig
en groot. En zacht
als doordrenkte zijde
in de groene gastvrije schoot
van een Ierse weide.
Wij lagen als uitgestotenen.
Teruggekeerd uit de dood.

Wat vormgeving betreft lijkt deze reeks weer sterk op de openingsreeks. Inhoudelijk zijn er geen overeenkomsten. In deze afdeling is veel meer sprake van beschouwing en reflectie, van terugblikken en het krijgen van schuldgevoelens, van vele vragen en totale verwarring, maar ook van volwassenheid en rustgevendheid. 'We plukten de bramen / die zomer in Ierland.' Er is de herkenning van de beroemde spoorlijn (alweer die trein) die langs de zee ten zuiden van Dublin loopt en waar het goed toeven is. ‘Ze groeiden verwilderd waar de spoorbaan haar eenzame bocht langs de zee nam.’ De schuldeloze man is een zorgvuldig gecomponeerde bundel, die ook na herlezing steeds nieuwe vragen oproept. Vooral de precieze ontmaskering van de personages geeft problemen. Wie zijn zij? Er is geenszins sprake van één mogelijke betekenisduiding. Zo gemakkelijk heeft de dichter het de lezer – en zichzelf! - niet gemaakt. De gedichten bevatten in ieder geval een Europees historische laag, een religieuze laag, een psychologische laag en een ideeënlaag. En de mogelijkheden lijken me niet uitgeput. Het 'hij'-perspectief van de eerste reeks heeft zich haast onmerkbaar ontwikkeld naar een 'ik'- en 'wij'-perspectief. Als lezer worden we op subtiele wijze dichterbij geleid, mogen we kijken, horen, ruiken, voelen, proeven en ons daar een mening over vormen, ons geëngageerd tonen of ons esthetisch laten raken. Stap deze gedichten binnen, je komt in een fascinerende, soms gruwelijke wereld terecht.

Herbert Mouwen (Meander)

Toen ik de titel las van de eersteling in de nieuwe reeks De Oostakkerse Cahiers van Uitgeverij Ampersand & Tilde, dacht ik: dat kan niet. Dat bestaat niet een schuldeloze man (of vrouw). Toen de man seminarist, soldaat, voortvluchtige en banneling bleek te zijn werd zijn schuld als maar groter. Klein, tussen haakjes bijna verontschuldigend schrijft Aleidis Dierick onder de titel (een tijdsbeeld). Dat zijn de vier afdelingen inderdaad: een eenzame zomer, de oorlogswinter van de ziel, de verwarrende vlucht weg van de dood, de tijdelijke verlossingen heropstanding in de verbanning in een eens te meer gehavende hartstocht. Vier steden ook Rome, Berlijn, Antwerpen en Dublin. Wat een programma voor een kleine bundel. Leven, dood, God en moeder, liefde en roekeloosheid.

Seminarist
De eerste afdeling (Roma) vertelt het verhaal van een jonge seminarist, weeskind in Rome, met het gemis van de moeder in zwart en zwaarte in zijn ziel. Treffend mooi vind ik hoe Aleidis Dierick de ‘verleiding’ vervat in een bundel poëzie met bloed geschreven, door een vrouw. VI is sterk, binnenrijmen die functioneren, een ritme van onrust en de onbesuisd opgesprongen jonge man omhelst in verveling de marteldood… Maar Rome kan je niet je lichaam doen vergeten, zo ‘grijpt de bries zijn soutane, beeldhouwt zijn lichaam’. De verleiding dreigt als donder en bliksem. De relatie tot moeder is diep. Hij mist haar, zij heeft in zijn afwezigheid geen rol meer en zo wordt de vraag ‘Werd bij de schepping der wereld een rol toebedeeld aan de moeder van God?’ Is hij bij deze een god in het diepste van zijn gedachten? Is hij anders dan de kinderloze vaders theologen? Neen. Hij maakt carrière, alles is mogelijk, maar de brief kwam te laat en hij mist de begrafenis van zijn moeder in Brugge. Alles verloor hij, draagt haar trouwring onder zijn soutane – een bijna incestueus beeld – ‘Verblind of verlicht? Over de reis naar zichzelf. Over de zoektocht naar iemand die zijn God kan zijn. (XII). Het boek wordt zijn geheim dat hem door de wind wordt afgenomen. En zo reist hij terug. Vonken en vuur en het gedicht waarin de vraag prangend is naar wie hem hoorde (moeder) en wie hem hoort. In het laatste gedicht van de afdeling (XV) is de wanhoop weg. Hij heeft ‘gewogen en geweigerd een mogelijkheid een gedicht een stem’. In de regels ‘In de naam van de Vader’ pleegt de man mijns inziens het ultieme verraad op zijn moeder. Hij wordt daar en dan ‘welp van de wolvin die Rome is’ verwijzend naar het mythologisch ontstaan van de stad en tegelijk kind van de moedergodin die de kerk is. De moeder is niet meer dan iets dat werd vervangen door iets anders: schrijnend, pijnlijk en gebald verwoord. Deze man is de onschuld kwijt die hij in zijn moeder vond.

De soldaat (Berlijn)
Alles is ontspoord, je hoort de bombardementen in Berlijn, de stad waaruit niemand ontkwam. Schrijnend, pijnlijk mooi vind ik de conclusie ‘Daarom gaf ik mij toen. Ik was jong genoeg om te leven voor twee. Het was meer dan hij vroeg.’ Zij geeft en hij neemt wat hij pakken kan. Misschien is dat leven tegen de blinde muren van de dood, doden die allemaal door iemand werden bemind, zuiver bemind en daarna nooit meer zo zuiver… En de eenzaamheid die dit mee brengt: ‘Uit de steden verdween voor altijd God die ons zou bewaren.’ De ‘haastige kus met de ogen wijdopen’ en toch elke geliefde onvindbaar, en dat geheugen dat ‘het kraken van zijn gebeente’ niet vergeten kan. Onbegrijpelijk zijn zij die de oorlog kennen en blijven dat voor hen die niet werden aangeraakt door de hier zo prangend beschreven beklemming van die oorlog. Ook de soldaat is schuldig omdat hij vermalen in een oorlogsmachine onvindbaar blijft.

De voortvluchtige
vertrekt. Uit Antwerpen. De gejaagde rit, de angst zijn voelbaar. Vergeefs aanroept men God, vergeefs worden ‘als tarwe vermalen de rekruten de jonge soldaten.’ Een zin om nooit meer brood te eten. Maar men vlucht, wenst niet ‘de staaldraad met nummer aan de enkel’… Ontgoocheling volgt in het tweede gedicht: Beloofd is beloofd? ‘roekloos nam hij de vrouw; plukrijp, een vrucht. Roekeloos heeft hij zich toegeëigend wat wild was en zoet in het licht van de dood.’ Hij rijdt verder de duisternis in… Heeft de vrouw hem vergeven, vergat ze hem, maakt hem dat vrij van schuld?

De banneling (Dublin)
Uitgestotenen. Teruggekeerd uit de dood. En de vragen: Wie? ‘Wie stond voor het vuurpeloton? Wie vrat het beschimmelde brood tien jaar achter tralies?’ Na de verloren tijd: ‘Nooit lag een lichaam zo oud zo jong zo naakt achterover…’ Prachtig, evenals het ‘koesteren van roestige woede’. Het plukken van wilde bramen als ontwapeningspoging is een mooi beeld en het delen van het verhaal waarbij het verleden het heden verdrukt is mooi weergegeven als ‘In zinken emmers gisten de bramen’. Zoveel moest die zomer in Ierland gedeeld worden: ‘Twee vreemdelingen gefolterd gesard tot in hun hartstocht gehavend. Wij lagen als dolmen tezamen’. Oorlog als vergrotende trap van leven, de schuld spat in rijm en binnenrijm van de bladzijden, je hoort en ruikt de oorlog en de dood, maar hij en zij ‘zijn als dolmen tezamen’, versteend en als een graf of offerplaats. Pas als hun herinnering is verdwenen zijn zij simpel, zuiver en schuldloos. De man en de vrouw moeten dus verder, en doen dat ook: daarom is dit een mooie bundel om over na te denken. Een bundel vol erbarmen die af en toe op je hart trapt. In mijn vocabularium is dat een reuze compliment.

Annmarie Sauer (Stroom)

Aleidis Dierick (Antwerpen, 1932) is een van de grand old ladies van onze poëzie. Alleen is dat in Nederland nog maar in beperkte mate bekend. Hoewel haar werk makkelijk toegankelijk is qua thematiek en techniek, is ze tot nu toe vooral een dichter voor dichters gebleven. Dat verklaart opname van veel verzen in belangrijke bloemlezingen als Spiegel van de moderne Nederlandse poëzie, Dichters van deze tijd en De 100 beste gedichten van deze eeuw. De schuldeloze man is haar tiende bundel. Hij bestaat uit de afdelingen: 1) ‘De Seminarist’, 2) ‘De Soldaat’, 3) ‘De Voortvluchtige’ en 4) ‘De Banneling’. Deze titels geven al aan dat Dierick geen luchtige versjes schrijft. Uitgangspunt is onze condition humaine. De expres anoniem gehouden personages zijn paradigma’s die er de lezer om vragen in te zoomen op de wezenlijke keuzes en aanpassingsprocessen die bij genoemde beroepen en omstandigheden horen.Enkele regels uit ‘De Soldaat’: Mandelstam was toen al dood. / In Moskou ontspoorden de treinen. / Over de vlakte dwaalden / sneeuwblind de vrijgelatenen. // Achmatova wachtte. / Lag in wolfsvacht gewikkeld / ziek op de tiende verdieping. / Later verweet haar / de zoon uit Siberië / de dood van zijn ziel. // Wij zagen de draak / uit de hemel storten / de lucht braakte vuur. / Berlijn was de stad / waaruit niemand ontkwam. / Daarom gaf ik mij toen. / Ik was jong genoeg / om te leven voor twee. / Het was meer dan hij vroeg. Dit is, vooral door de pakkende, raadselachtige en eveneens meerduidige slotregels en lang niet alleen door de name dropping, poëzie van Europees niveau, een boude bewering maar zij moet geuit worden! Als er iemand onderhand een uitgave van Verzamelde Gedichten verdient, dan dit grote, al te bescheiden talent.

Albert Hagenaars (Haagsche Courant)

Ik vind De schuldeloze man een indrukwekkende bundel. Drama en tragiek sluipen door de plooien van deze enigmatische verzen. Elk woord telt, elk beeld is gegoten, gekapt of gesmeed in zijn tijdskader. Nooit is het heimwee weg, nooit de verscheurdheid, nooit het hartsverlangen naar een schuldeloze tijd die toch niet opduikt, omdat het menselijk hart, het menselijk tekort beurtelings te klein en te groot zijn voor deze onmogelijke wereld. De bundel vertelt ‘over de dorst in de woestijn’, over sneeuwvlokken en ijs terwijl de stokroos bloeit’. Het is een existentiële ‘reis naar zichzelf’. We leren ‘lezen met andermans ogen’. Een grandioos breedscherm, een bijna universeel panopticum van angst, passie, roes, gedrevenheid, Stolz. Ik word stil bij zo’n poëzie. Dit is een onvergetelijk tijdsbeeld: de dramatiek van een 20ste eeuws scharnierpunt.

Frans Fransaer (Brief)

Je kunt Aleidis Dierick (°1932) aanvankelijk moeilijk enige luiheid verwijten: tussen 1977 –het jaar van haar debuut– en 1991, publiceerde deze dichteres 8 bundels bij uitgeverijen van enig kaliber (Orion, Lannoo, Poëziecentrum). Dan valt een gat van 10 jaar en pas in 2001 publiceert ze haar negende poëzieboek bij de mij onbekende kleine uitgever De Distel in Brussel. Ik heb deze bundel (Het vrijgeleide) niet gelezen, maar cijfers en letters delen mee dat een zekere neergang bij deze dichteres, op datmoment toch al 69, is ingezet. Maar zie, weer 4 jaar later, komt de inmiddels 73-jarige Dierick weer boven water met De schuldeloze man, de eerste bundel in een nieuwe poëziereeks die de merkwaardige naam De Oostakkerse Cahiers meekreeg. Die naam roept bij mij meteen een dubbele verwijzing op: enerzijds is er de letterlijk en figuurlijk goedkope reeks Dilbeekse Cahiers waarin het niet echt ernstig toeven is; anderzijds linkt ‘Oostakkerse’ natuurlijk, zoveel jaren na Hugo Claus’ meesterwerk nog steeds met De Oostakkerse Gedichten. Je zou dus De Oostakkerse Cahiers kunnen samenvatten als een reeks goedkope boekjes met kwalitatief zeer hoogstaande poëzie. Voorwaar een nobel en ambitieus streven. De Schuldeloze Man ziet er alleszins geen dure uitgave uit: een karige kaft met enkel de absolute noodzakelijkheden (titel, auteur, uitgeverij), voordelig maar verzorgd drukwerk. Poëzie, dus? Gelukkig wel. Maar toch met hier en daar wat voorbehoudende bedenkingen. Je zou het woord ‘schuldeloos’ uit de titel eenvoudigweg met een minder poëtisch synoniem als ‘onschuldig’ kunnen verklaren. Toch betekent schuldeloos ook: ‘zonder dat men de verantwoordelijkheid op zich neemt’, en dat smaakt naar andere koek. Schuld (en onschuld) verwijzen sowieso ook naar het katholicisme, en wetende dat Dierick, naast alles wat met vrouw-zijn te maken heeft, geregeld ook de religie in haar poëzie laat floreren, houd ik als lezer deze component in het achterhoofd. De bundel bestaat uit 4 afdelingen (eigenlijk zijn het 4 lange gedichten): De seminarist (15 gedichten van 15 versregels), De soldaat (3 gedichten van 19 versregels), De voortvluchtige (2 gedichten van 23 versregels) en De banneling (5 gedichten van 14 versregels). Vier afdelingen, evenveel mannen, we mogen dus wellicht aannemen dat zij de schuldelozemannen zijn, of samen ‘dé’ schuldeloze man vormen. Opvallend is dat de vier cycli gekoppeld zijn aan steden – respectievelijk zijn dat Rome, Berlijn, Antwerpen en Dublin. Niet voor niets spelen zich de verhalen af in beladen, symbolische, locaties. Waar Aleidis Dierick aanvankelijk steeds 12-regelige (3 kwatrijnen) gedichten publiceerde met bijkans gelijke regellengte, daar is het in dit boekje wel even anders. In korte versregels en lange strofen, met weinig aandacht voor enjambering, ritme en klank, maar met een overvloed (lees toch maar: overdaad) aan ellipsen en tegenwoordige deelwoorden, vertelt de dichteres gevoelige verhalen. Epische lyriek, als het ware. De grens tussen proza en poëzie is vaak dunnetjes, hoewel geregeld verrassende beelden opduiken, zij het dan niet meer zo natuurgerelateerd als vroeger. Maar vroeger is voorbij, vaneigens. Aangezien de eerste afdeling anderhalve keer zoveel gedichten telt als de drie andere samen, kunnen we niet anders dan aannemen dat De seminarist het hart van de bundel vormt. Het verhaal op zich is eenvoudig: een jonge seminarist uit Brugge trekt naar Rome om daar te promoveren. Hij weerstaat aan de verleiding van de stad (met de grappige omkering als hij over het plein loopt / grijpt een bries zijn soutane – de toekomstige priester als een mannelijke Marilyn Monroe) en de twijfel of hij wel een priester zal kunnen zijn zoals de geleerde prelaten (Latijnse citaten. / Geelbruine nagels. Kinderlozen / in hun enclaves.) Dé tragiek van het relaas is dat de seminarist van de theologen de vraag krijgt ‘Werd bij de schepping der wereld / een rol toebedeeld / aan de moeder van God?’ en hij even later het bericht ontvangt dat zijn moeder in Brugge gestorven is. Dat leidt tot een soortement identiteitsbevraging: de jonge priester die zich een aantal fundamentele vragen stelt en uiteindelijk in zijn toestand berust. Maar de moeder, de vrouw keert terug in een droom: ‘(…) de wolvin / de eeuwige, de moedergodin / en zoogt aan een tepel vol melk / haar hulpeloze jongen.’ Het woord ‘jongen’ is echter niet zomaar een referentie aan de ontstaanslegende van Rome, want Aleidis Dierick laat hier onmiddellijk, in deze afsluitende versregels van haar lange gedicht deze slotwoorden op volgen: ‘Haar welp.’ Waardoor de lezer niet anders kan dan concluderen dat de dichteres hem subtiel op het verkeerde been heeft gezet; jongen blijkt immers enkelvoud. Op zich natuurlijk helemaal geen vernieuwende taalexploitatie of een wereldschokkende materie. Maar Dierick speelt het spel wel subtiel, onder andere door het perspectief voortdurend van Rome naar Brugge en vice versa te verleggen, in de realiteit en het heimwee van de seminarist. Die is trouwens tweemaal schuldeloos: eenmaal onschuldig, want hij heeft de verlokkingen van de wereld kunnen weerstaan, én schuldeloos in de tweede betekenis doordat hij zijn afwezigheid bij de dood van zijn moeder kan verdedigen met zijn aanwezigheid in Rome, zijn plaats op het hogere plan, zijn roeping. De andere afdelingen van de bundel lijken er enigszins bij gesleurd; akkoord ze gaan over (schuldeloze) mannen, maar het perspectief is niet meer zo zuiver. Of anders gesteld: de man is hierin niet meer uitgangspunt en centrum, maar veeleer een passant tussen ‘ik’ en ‘wij’. Niet dat de bundel na De seminarist niet meer boeit, maar de rest van het boekje haalt niet meer de kracht van het eerste gedicht. Aleidis Dierick had natuurlijk wel gelijk haar bundel niet bijvoorbeeld ‘De seminarist en andere gedichten’ te noemen. Want wellicht had ik het dan liever niet, of alleszins met andere handen, vastgenomen.

Frank Pollet (Poëziekrant)


Zoals in vorige bundels is de trilling van Aleidis Diericks poëzie in De schuldeloze man zichtbaar in het lichtprisma van haar verzen als een bepaalde kleurgolf. In deze bundel weerkaatst ze het licht met blauw dat beweegt: (het) blauw (van zijn ogen); staalblauw (de lucht); (die) staalblauw (gehelmd liep). Blauw is de kleur voor de beminde. Maar het licht blijft ook wit, of weerkaatst niet, wordt ook zoals opgeslorpt licht: zwart en grijs. Kleur of geen kleur waarnemen is niet alleen een lichtfenomeen dat zichtbaar is, maar betreft ook diegene die ziet, of het fenomeen oproept: ‘Die ‘Vuur’ heeft geschreeuwd’; ‘Wij zagen de draak / uit de hemel storten / de lucht braakte vuur.’ of ‘Geen mens die het ziet’. Kortom, het chiffre van de kleur is geen epitethon ornans, het versiert niet, het behoort tot de lyriek, tot de kern van het gedicht, tot het geestelijk leven, het hoort bij het verdwijnen en de dood van de schuldeloze man zelf. Deze poëzie is doorleefd, en geen beschrijving omdat ze in het particuliere het meer universele oproept. Ze is immers ook de herkenning van het lot in dat van een ander: er is een stem die meezingt: Achmatova en Mandelstam, Siberië. Deze lyrische stem is als een koor dat het persoonlijk leed overneemt. Het valt me op dat het ritme herkenbaar wordt ook als de locaties van het drama verschillen. De schuldeloze man vertoont een grote eenheid die zich verheft boven het relaas en geen autobiografische Fremdkörper meer bevat, maar dichtgeweven is als een wandtapijt dat niet uitrafelt aan de randen, en de grens, de muur doorbreekt van het louter lezen om te weten; je verwijlt mee in het geschapen landschap. De hele tijdsgeest is anders dan deze poëzie.De schuldeloze man verzet zich tegen deze prozaïsche tijd.

José de Poortere (Brief)


De thematiek in Aleidis Diericks vorige bundel Het Vrijgeleide hield een afrekening in met wat zich in het verleden, namelijk in 1945, afgespeeld heeft in een kamp. Dat bitter relaas en in zekere zin recht op antwoord moest zij blijkbaar eerst van zich afschrijven: hoe zij als twaalfjarig meisje, samen met haar moeder, in een kamp werd opgesloten. De schuldeloze man is hiervan niet zozeer het gevolg als het tweede luik. Een poëtische slotsom, of het levensbewijs van een banneling, maar dan wel louter en alleen dankzij de taal. Die intense verhouding met het woord is haar redding, of zoals zijzelf zegt ‘Een brief is een valreep’. Hoe diep zij moet graven om herinneringen bloot te leggen, komt tot uiting in haar samengebalde zegging. Alles tekent zich vlijmscherp af, net voordat de adem stokt van een in wezen lyrisch mens. Zo wordt het drama met vaste hand gemend en krijgt de onderhuidse bitterheid geen kans om los te breken. De schuldeloze man, voorgesteld als een tijdsbeeld, opent met de cyclus De seminarist. En zoals de titel doet vermoeden, is hier sprake van een gevecht met de engel. Met veel inlevingsvermogen wordt dit proces opgeroepen om, via al wat Rome aan grandeur en verlossing biedt, in de onbestemde toon van een geloofsaanvaarding te eindigen. Onbestemd, want Aleidis Dierick kruidt haar verzen meer dan eens met het zout van een karateristiek scepticisme. Zijn roeping zou bijvoorbeeld ook de mogelijkheid kunnen inhouden ‘Om van verveling te sterven’. Deze priester heeft ‘bloed onder zijn nagels’. Zeer verrassend, soms ronduit verbluffend, zijn de overgangen, of lyrische invoegingen van zuiver visuele elementen:

Ten noorden van Rome
rijpten de druiven. Terrassen
lagen als opengewaaide
pauwenstaarten aan zee.

Op het beeld van een sneltrein in stikdonkere tunnels ‘als een dier ontsnapt aan de strik’ volgt in de tweede strofe van het veertiende gedicht dan weer:

Traag kantelt de zomer
naar een zwaan op de gracht.

In de tweede cyclus De soldaat wordt een liefde ‘als sneeuw zo zuiver’ opgetekend ter herinnering aan de stad Berlijn ‘waaruit niemand ontkwam’ met als contrast het Moskou van Mandelstam en Anna Achmatova. Deze gedichten klinken als een prelude en leiden naar De voortvluchtige. Op doorreis in Antwerpen, de geboortestad van de dichteres, moet de reiziger de stad aan de stroom vergeten: ‘Het leven is nooit op de afspraak.’ Het tempo versnelt, dendert voort op het ritme van de trein- de cadans van de verzaking. Zo komt De banneling, in de vierde cyclus, tenslotte in Dublin aan. Geen toeval: Aleidis Dierick verbleef elf jaar in Ierland, een land dat zij in de bundel Gedichten voor een man (Desclée De Brouwer, 1978) in een prachtige cyclus van 20 gedichten heel beeldend wist op te roepen. Dit keer zet een ‘roestige woede’ de toon. Niet het landschap is het hoofdpersonage, wel het gevaar dat op de loer ligt en het samenzijn bedreigt van de geliefden. De noodhoorn die jaren voordien het eindvers van Cranagh bepaalde (hoe zwaar de noodhoorns door de heuvels riepen…’) klinkt nu op in de laatste strofe van het slotgedicht:

Onze lippen verzegeld
en donker van sap.
Noodhoorns over het water.
Twee vreemdelingen
gefolterd gesard
tot in hun hartstocht gehavend.
Wij lagen als dolmen tezamen.

Bij Uitgeverij P zal nog dit najaar een verzamelbundel van Aleidis Dierick verschijnen: Al die zalige zomers. Beter laat dan nooit!

Lucienne Stassaert (Mededelingen van het Centrum voor Documentatie & Reëvaluatie)


Nooit eerder kreeg ik een beklemmender beeld van een levenservaring in de 20ste eeuw voor de geest als in de onlangs verschenen – tiende – dichtbundel van Aleidis Dierick, die zij de titel De schuldeloze man meegaf. Met deze bundel van één der voornaamste Vlaamse dichters én non-conformistische getuige van de voorbije, rampzalige eeuw, opent de jonge Antwerpse uitgeverij bf Ampersand & Tilde een nieuwe, sobere poëziereeks De Oostakkerse Cahiers. In 25 gedichten wijdt Aleidis Dierick haar uitzonderlijk beeldend en verdichtend talent, haar gebalde en suggestieve zegging aan leven, idealen en tragiek van ‘de schuldeloze man’, de idealist. Binnen dat beeld geeft zij ten dele gestalte aan haar eigen leven, dat hard werd getekend door haar keuze en die van haar man voor het Vlaams nationalisme, door hun geloof in een nieuwe orde en geest voor Europa en door de hatelijke houding van machthebbers van haar eigen volk tegenover de ‘overwonnen’. De poëtische en tragische gestalte van de ‘schuldeloze man’ staat symbool voor vele Vlaamse en Europese jonge idealisten, soldaten aan het oostfront en in het ineenstortende Berlijn van 1945, nadien op de vlucht voor de wraak. De ondraaglijke en ongeneeslijke pijn van dit gekwelde leven – van de zinnebeeldige én ten dele van de werkelijke idealist, seminarist, banneling en echtgenoot van de dichteres – mondt uit ineen hevig trauma in de beschermende heuvels van Ierland: ‘Hard en hongerig / en groot. En zacht / als doordrenkte zijde / in de groene gastvrije schoot / van een Ierse weide. / Wij lagen als uitgestotenen. / Teruggekeerd uit de dood.’ De schuldeloze man getuigt van haar tederheid voor en verbondenheid met de idealist, die in ‘het verkeerde kamp’ stond en streed. In de eerste cyclus evoceert zij de roepingscrisis van de jonge seminarist in Rome. De dood van zijn moeder, poëzie en Vlaamse overtuiging leiden hem op andere wegen… Ontzaglijk, onzegbaar, maar door deze dichteres voor alle tijden verwoord, klinkt de apocalyptische evocatie van het ondergaande Berlijn in de tweede cyclus, De soldaat: ‘Berlijn was de stad / waaruit niemand ontkwam. – Uit de steden verdween / voor altijd de God / die ons zou bewaren.’ In beklemmende vaart, wanhopig raast de trein met de voortvluchtige soldaat naar het westen in de derde cyclus: ‘Nu worden als tarwe vermalen / de rekruten de jonge soldaten.’ Gebed in haar troostende liefde klinkt de felle nood van de soldaat, die echtgenoot van de dichteres werd, op in de laatste cyclus, De banneling. Met Dr. Broms als signaal, klinkt het lied van Rilkes Der Cornet op: ‘habt mich lieb: / ich trage die Fahne’. Voor Aleidis Dierick – radicale anti-Belgische nationaliste – werd de grote ontreddering – oorlogsgeweld, gevangenis, mishandeling, honger – haar man aangedaan, ‘een oproep / om blijvend te koesteren / deze roestige woede’. Want: ‘Wie heeft de nagels gesmeed / wie kruiste de balk / joeg ons als gifwolken op / als misdadigers? Welk volk?’ Als groots poëtisch getuigenis van dat àndere verleden staat dit werk haaks op de eenzijdige ‘bevrijdings’-euforie van de jongste weken!

Brederode (’t Pallieterke)